Centraal in de Egyptische religie staat een rotsvast vertrouwen in het leven na de dood. Volgens een van de belangrijkste Egyptische mythes was Osiris, god/koning van Egypte, door zijn broer Seth vermoord. Seth sneed daarbij het lichaam van zijn broer in 14 stukken en verspreidde deze over heel Egypte. Isis, de vrouw van Osiris, ging naar de delen op zoek. Uiteindelijk werd het lichaam van Osiris door Anubis gemummificeerd. Osiris kreeg nu een nieuw koninkrijk, een rijk voor de eeuwigheid: het Dodenrijk. Volgens de Egyptenaren zag het Dodenrijk er net zo uit als het Egypte van de levenden. De zon stond er aan de hemel, de koeien loeiden op het land en het graan groeide in overvloed. Het was een groot landbouwparadijs.
De Egyptenaren geloofden dat de mens twee zielen had: de Ba en de Ka. Voor de Egyptenaren was het lichaam het huis van deze zielen. Het was de plek waar ze met elkaar verenigd werden en tot rust kwamen. Het lichaam moest dus bewaard worden. Net als Osiris werd het lichaam gemummificeerd. De Ba ziel verliet overdag het graf en betrad het Dodenrijk van Osiris. Daar kon de ziel voor altijd en eeuwig gelukkig zijn in het aangezicht van Osiris. De Ka ziel verbleef in het graf. Deze ziel was de dubbelganger van de mummie. Deze dubbelganger was net als het menselijk lichaam in staat om te eten, drinken en zich voort te bewegen. In het graf kon de familie contact hebben met deze ziel en de nodige offers achterlaten. Het leven na de dood was voor de Egyptenaren een betoverende en wonderschone plek. De schilderingen in de graven, de spullen uit het graf en de gemummificeerde resten hebben precies dezelfde uitwerking op ons.
|